MENU CLOSE

Over het nut en nadeel van lokaal voedsel

Stel dat door een crisis er bijna geen voedsel in winkels te krijgen was. Dat je alles zo dichtbij mogelijk moest vinden, bij boeren in de regio en uit de natuur. Zelf kruiden, fruit en groentes verbouwen of verzamelen, zelf op jacht, zelf slachten, zelf inmaken. Voorraden opbouwen voor de winter en je gezin op rantsoen zetten.

Corona heeft ons allemaal teruggeworpen op onszelf. Geen cultuur, geen restaurants. Maar de aanvoer van ons voedsel heeft geen moment gefaald, afgezien van begin maart toen een korte hamsterwoede Nederland overviel. Hoewel voor veel mensen volle supermarkten tot de vanzelfsprekendheden van het leven horen, lijkt er toch iets te zijn verschoven. Er is een gevoel van kwetsbaarheid ontstaan door de afhankelijkheid van anonieme en onoverzichtelijke ketens. Vanuit het isolement, met wellicht meer tijd omhanden, zijn we meer gaan bakken, verschenen er kruiden- en moestuintjes. In termen van calorieën stelt het niets voor, maar het verlangen is significant. De zogenaamde locavoren, die alles van dichtbij willen halen en met de seizoenen leven, lijken ineens minder excentriek.

De Canadese arts en documentairemaker Suzanne Crocker besloot, al voor Covid-19, tot een extreem experiment: een jaar lang strikt lokaal eten. En ze deed het niet alleen, maar met man en drie (hongerige) tieners, die niet zonder meer gecharmeerd waren van dit streven (en als compromis buitenshuis wel voedsel en snacks mochten kopen). Bovendien deed ze dat op 60 graden NB aan de Yukon-rivier waar het groeiseizoen slechts drie maanden beslaat. De term lokaal is relatief: het bevoorradingsgebied had een straal van 150 mijl waarin voldoende landbouw werd bedreven.

In haar documentaire First We Eat zien we haar fanatiek zoveel mogelijk voorraden aanleggen, van voedsel van lokale boeren en uit het wild. Al haar creativiteit is nodig om alternatieven te vinden voor gangbare zaken waar niemand bij stilstaat. Honing en ingekookte berkensap om suiker te vervangen. Zout uit planten en klei. Brood van rogge, deegwaren van pompoenen. Alles moest met de hand bereid worden en worden verwerkt. In plaats van azijn gebruikte ze rabarbersap, als kruiden de zaden van Oost-Indische kers. Eiwitten waren van dierlijke oorsprong, aangezien het seizoen te kort was voor bonen. Dankzij de boeren hoefden melk, eieren en kip niet beperkt te worden. Ze werden aangevuld met beer, zalm en eland. Het hoogtepunt, voor de liefhebbers, waren meringues van bloed.

Crocker komt tot de slotsom dat lokaal eten een volledige dagtaak omvat en zo’n 25 procent meer geld kost. Daartegenover staan nieuwe smaakervaringen, gewichtsverlies (door het uitbannen van alcohol) en een verhoogd bewustzijn van de natuur. Als proof of concept , in de moeilijke condities van de lange Canadese winter, is de ervaring uitermate geslaagd.

Er zijn echter ook kanttekeningen te plaatsen bij het verlangen naar lokaal. Het argument dat lokaal altijd ‘natuurlijk’ en gezonder is, snijdt geen hout. Historisch betekende lokaal eten per definitie een lage bevolkingsdichtheid en een karig en weinig gevarieerd dieet. Wilde soorten bevatten vaak allerlei stoffen om zich te beschermen tegen vraat die verteerbaarheid en voedingswaarde niet ten goede komen. Toegang tot voedsel van elders is ook om andere redenen belangrijk. Het brengt veiligheid als de lokale oogst mislukt. Handel – in granen, in eiwitten, in specerijen – vormt een belangrijk deel van de menselijke geschiedenis. En een niet onbelangrijk argument: voedsel dat elders wordt geproduceerd is daar een bron van inkomsten.

Zoals vaak gaat het om de balans. Het locavore-denken heeft alleen al een plaats omdat het ons bewust maakt van hoe bevoorrecht we zijn.

Louise O. Fresco
NRC Handelsblad 25 januari 2021