MENU CLOSE

Over graaien en groeien

Ineens klinken ze weer: de voorspellingen over het einde van het kapitalisme. Die geluiden zijn natuurlijk zo oud als Marx zelf, en het kapitalisme is al vele malen op sterven na dood verklaard. Een gevaarlijke aberratie die uiteindelijk zou leiden tot nieuwe vormen van slavenarbeid, geschonden landschappen, en troosteloze hoogbouw. Sinds de financiële crisis, zo klinkt het in de wandelgangen en cafés, is het kapitalisme echt een gepasseerd station.

Brengt het kapitalisme inderdaad het slechtste in de mens naar boven? Je zou denken van wel. Van het grote graaien naar bonussen door een flink deel van het bedrijfsleven tot het kleine graaien tijdens de Drie Dwaze Dagen van de Bijenkorf en de run op de beurs van kleine en grote beleggers, lijken hebzucht en zijn broertje afgunst het leidende principe. Maar een blik op de geschiedenis leert dat dergelijke slechtheid helaas altijd al schering en inslag is geweest, lang voor de industriële revolutie. Niets menselijks is de kapitalist vreemd.

De boutade over het einde van het kapitalisme weerspiegelt het ongemak van degenen die eerder te veel hebben dan te weinig, van een klasse die het zich kan permitteren om iets niet te kopen en kan beweren dat de groei nu moet stoppen. Vraag het arme boeren in Rajastan, Capadocië of Mali: alles wat zij willen, zijn mogelijkheden om geld te verdienen opdat de volgende generatie het materieel beter heeft. Vraag het de eerste generatie stadsbewoners in Rio de Janeiro: zij willen allemaal een woning, een televisie en een auto. De triomf van het kapitalisme is dat dit soort wensen nu voor meer mensen dan ooit mogelijk is geworden. Geen ander systeem biedt een betere garantie op een wijdverspreide economische groei. Hoezeer het graaikapitalisme en zijn uitwassen ons met afschuw vervullen, de aspiraties van de vijf miljard mensen die niet ons westerse consumptieniveau hebben bereikt, zijn onweerlegbaar en kunnen alleen via voortgaande groei bereikt worden. Alleen al de toename van de wereldbevolking, nog zo’n drie miljard tot 2050, die voor meer dan 90 procent in ontwikkelingslanden zullen wonen, vraagt meer groei, niet minder. Westerlingen hebben geen enkele legitieme basis om anderen te verbieden ons consumptieniveau te bereiken, laat staan dat dit tegengehouden kan worden.

Ons westers leefpatroon zou niet maatgevend moeten zijn, maar is het op dit moment wel. We kunnen er lang over filosoferen dat we met zijn allen moeten ‘consuminderen’, maar de dringendste vraag is of groei beter kan, met minder negatieve externe effecten voor mens en milieu. Die negatieve effecten zijn een vorm van marktfalen, omdat er geen prijs bestaat voor wat kwetsbaar is. Als waterkwaliteit iets kostte, dan zou er geen chemisch afval in rivieren gestort worden. Als de uitbuiting van kinderen meegerekend werd, zouden handgeknoopte tapijten onbetaalbaar worden. Corrigeren van het falen van de markt is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar we hebben gaandeweg geleerd om negatieve effecten te voorkomen. Dat gebeurt door allerlei vormen van regelgeving: fabrieken moeten aan milieueisen voldoen, mensen zonder werk of met een handicap krijgen een uitkering, kinderen mogen niet werken onder de zestien, enzovoort. Het is deels symptoombestrijding, deels lopen we achter de feiten aan, maar het werkt. In Europa zijn bodem, lucht en water nu veel schoner, en arbeidsomstandigheden onvergelijkbaar met eerdere eeuwen.

Dat corrigeren van het marktfalen is verweven met een democratisch systeem waar misstanden aan de kaak gesteld kunnen worden door volksvertegenwoordigers en vrije pers. Daarom is de combinatie kapitalisme & democratie zo ijzersterk, en om dezelfde reden is ongebreideld, ongecorrigeerd kapitalisme in autoritaire systemen zo gevaarlijk. In Rusland en China waar kritiek niet of onvoldoende geuit kan worden, blijven uitwassen veel langer bestaan en verzwegen. Maar ook daar vindt, geleidelijk, een correctie plaats, onder internationale druk (niet in de laatste plaats dankzij niet-gouvernementele organisaties), omdat geen enkel land (wellicht met uitzondering van Noord-Korea en Myanmar) nog in isolement produceert. Sportschoenen gemaakt door kinderhanden, verffabrieken lozend op kwetsbare moerasgebieden – al die dingen worden steeds minder mogelijk. Democratie is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde (want hoe rijker de kiezers hoe vaker ze hun eigenbelang op het oog hebben). Toch is democratische controle de beste garantie om te voorkomen dat kapitalisme niet uit de hand loopt.

Het geleidelijk corrigeren van het falen van het kapitalisme is onvoldoende. De belangrijkste vraag lijkt me: wat moet er gedaan worden om in een kapitalistisch systeem duurzaamheid te bevorderen? Bijna altijd is de tijdshorizon in het kapitalisme beperkt: het gaat om groei en rendement op korte tot middellange termijn. Dat staat haaks op de tijdshorizon waar het bij duurzame oplossingen om gaat. Energie en klimaatverandering vragen een stabiliteit op de lange termijn zodat investeringen niet alleen ontstaan als antwoord op kortetermijnfluctuaties. Nu doen we pas echt iets aan wind- of zonne-energie als de olieprijs hoog genoeg is. En als die weer daalt, is het maar de vraag of we voldoende geïnvesteerd hebben om deze alternatieven rendabel te maken. Duurzaamheid vraagt ook om publieke verantwoordelijkheid voor publieke goederen. Willen we onze energievoorziening volledig aan de markt overlaten, of is die zo essentieel voor ons voortbestaan, dat de gemeenschap en de overheid daar direct bij betrokken moeten blijven? Een gezond kapitalistisch systeem kan niet zonder een actieve rol van de staat. Grootschalige individuele consumptie en ongebreideld graaien mogen niet het eindstation van het kapitalisme zijn. Groeien zonder graaien: in een duurzamere wereld gaat het om het grootste gemeenschappelijke goed voor het grootste aantal mensen. Zou het lukken?

Louise O. Fresco
NRC handelsblad 14 oktober 2008