MENU CLOSE

Onbevooroordeeld ontwikkelingsdenken

Twee weken geleden schreef ik over het feit dat ontwikkelingssamenwerking nauwelijks werd genoemd in het debat over de economische crisis, terwijl er een mooie kans bestaat om de fondsen voor ontwikkelingssamenwerking als crisisinstrument in te zetten, hier en elders. Criterium voor de inzet moet zijn dat het geld bijdraagt aan de overgang naar duurzame ontwikkeling en dat het leidt tot economische groei en werkgelegenheid, waarbij, onder voorwaarden, ook Nederlandse bedrijven een rol zouden kunnen spelen.

Afgelopen vrijdag is eindelijk een oproep verschenen van de ontwikkelingsorganisaties OxfamNovib, Icco, Cordaid en Hivos, onder de titel Schuif de armsten niet van tafel. Terecht constateren zij dat ontwikkelingssamenwerking als enige sector automatisch achteruitgaat omdat het nu eenmaal als vast percentage is gebonden aan ons nationaal inkomen. Daarbij zou het gaan, in 2009, om een afname van 300 miljoen euro. Dus, zeggen de organisaties, „verdere afbreuk (sic! LF) van het ontwikkelingsbudget, bijvoorbeeld door gebonden ontwikkelingshulp, waarbij verplicht met Nederlandse bedrijven gewerkt moet worden, is onwenselijk”. Wat een gemiste kans! Hier, midden in een crisis die zoveel gevestigde belangen onderuithaalt, vallen we weer terug in formules die al decennialang aan kritiek onderhevig zijn. Het stuk had net zo goed tijdens de crisis van de jaren tachtig opgesteld kunnen zijn, alsof we niets geleerd hebben in de tussentijd.

Het begint al met een fixatie op het geldbedrag. De 300 miljoen achteruitgang staat in geen verhouding tot de door de organisaties niet genoemde groei van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking. Alleen al tussen 2004 en 2008 is het beschikbare bedrag gegroeid van 3,7 naar 4,8 miljard. In diezelfde periode is het percentage voor ontwikkelingshulp verhoogd tot boven de 0,8 procent (dus boven de internationaal afgesproken 0,7 procent). Bovendien is onze bijdrage ook sterk toegenomen als resultaat van de economische groei. In het licht van die groei en de grote problemen om dit extra geld verstandig uit te geven, zou ik terughoudend zijn om te suggereren dat 300 miljoen veel verschil maakt.

Ook bevat de oproep geen zinnige analyse van wat economische ontwikkeling is en hoe Nederland daaraan kan bijdragen. De organisaties spreken van het falen van „het huidige groeimodel, dat de aarde uitput en tot steeds meer ongelijkheid leidt”. Hier wordt van allerlei op één hoop gegooid. Er is geen sprake van één huidig groeimodel – daarvoor zijn de verschillen tussen, zeg maar de VS, Europa, China en India te groot. Natuurlijk moet ongelijkheid ons een bron van zorg zijn, maar juist de globalisering heeft ook veel kansen geschapen waardoor miljoenen aan de armoede kunnen ontsnappen. Tegen groei zijn is zoiets als tegen zuurstof zijn: groei is alleen al nodig om de toename van de wereldbevolking op te vangen, de levensomstandigheden in de lagelonenlanden te verbeteren en de sociale en ecologische kosten van globalisering op te vangen. De bankencrisis is noch een gevolg noch een directe oorzaak van een crisis in ‘het’ economische groeimodel. Zelfs het meest communistische model loopt vast als er geen geld meer circuleert.

Dat kunnen we allemaal nog met de mantel der liefde bedekken, ware het niet dat de medefinancieringsorganisaties blijven preken voor eigen parochie. Zij „waarschuwen voor kortetermijndenken: bezuinigen op Ontwikkelingssamenwerking leidt al snel tot kapitaalvernietiging”. Lees: laat ons maar doen wat we altijd al doen.

Ik begrijp dat het moeilijk is om de bakens te verzetten voor organisaties die al zeer lang zeer ruim van middelen voorzien zijn door de overheid. Toch moeten we de huidige situatie aangrijpen om onbevooroordeeld de rol van alle partners opnieuw te bepalen. Dus van de overheid, medefinancieringsorganisaties, het bedrijfsleven én de cruciale, maar zelden genoemde, universitaire- en onderzoeksinstellingen.

Ontwikkelingssamenwerking is „geen liefdadigheid voor goede tijden”, stellen de organisaties. Nee, ontwikkelingssamenwerking moet – afgezien van humanitaire nood – helemaal nooit liefdadigheid zijn, in goede noch in slechte tijden. Immers, we weten al heel lang dat het beter is iemand te leren vissen dan hem een vis te geven of alleen een hengel. Het bestrijden van de crisis en armoede vereist dus dat we op zoek moeten naar hengel- en visexpertise. Juist nu, nu het ook hier moeilijk is in veel sectoren door gebrek aan kapitaal, moet de vraag gesteld worden hoe die genereuze Nederlandse hulp zowel bedrijvigheid en expertise op het gebied van duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden kan stimuleren, als in ons land. Er zijn talloze terreinen waarop Nederland excelleert en waarvoor starten ontwikkelingssubsidies essentieel zijn: groene energie (wind, zon, osmose), schonere fossiele energie, algenteelt, waterzuivering, hightechmechanisatie in de voedselketen, afvalverwerking, zaaigoed en biotechnologie, bestrijding van infectieziekten, multifunctionele woningbouw, waterkeringen – noem maar op. Conventionele hulp houdt zich hier niet of nauwelijks mee bezig.

Deze crisis vraagt om een onbevooroordeelde en innovatieve aanpak. Laten alle betrokken ministeries, EZ, LNV, OCW, VROM, VWS, geleid door OS, met steun van vakbeweging, bedrijfsleven en wetenschap een nationale wedstrijd uitschrijven voor slimme ideeën die zowel hier als in de lageinkomenslanden economische groei stimuleren en tegelijk mensen opleiden. Laat dit door een onafhankelijke commissie beoordelen, beloon de beste voorstellen met een flink bedrag en houd streng toezicht op de uitvoering (zodat de kritiek op gebonden hulp gepareerd wordt). Doe dit getrapt, dus eerst een snelle ronde waarvan een selectie een subsidie krijgt voor de concretisering in een of meer ontwikkelingslanden. De beste worden echt uitgevoerd. Ik weet het, er zijn, zoals het Nederland betaamt, talloze, ongetwijfeld verstandige rapporten over ontwikkelingssamenwerking in voorbereiding. Maar laten we daar nu eens niet op wachten en gewoon beginnen.

Louise O. Fresco
NRC handelsblad 3 maart 2009