MENU CLOSE

Europese lente

Tevredenheid alom, vorige week na het bereiken van een akkoord over de EU-begroting. Ook in Nederland. We hebben weer goed onderhandeld. Oké, we betalen wel veel, maar we krijgen ook weer geld terug. In deze zelfgenoegzaamheid verdwijnt geheel uit het zicht dat het niet zozeer moet gaan om de hoogte van het totale bedrag, maar om de verdeling ervan tussen landen en posten waar het geld aan uitgegeven wordt en, het allerbelangrijkste, de kansen op werkelijke vernieuwing.

Eerst de cijfers. Van de totale begroting gaat 28,9 procent naar de landbouw en 9,9 procent naar regio’s en plattelandsontwikkeling, samen dus bijna 40 procent. Dat is drie keer zo veel als het geld dat wordt gereserveerd voor innovatie en competitieve groei. Ter vergelijking: ongeveer 5 procent van de banen in Europa bevindt zich in de landbouwsector. Dat landbouw nog steeds zo domineert op de EU-begroting heeft alles te maken met de zorg om voedselzekerheid bij het ontstaan van de Unie (toen de Gemeenschap). De angst voor honger en prijsschommelingen was destijds, zo vlak na de Tweede Wereldoorlog, terecht, net als de verschuiving naar inkomenssteun voor het arme platteland, maar weerspiegelt niet meer de huidige situatie.

Over de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) wordt al jaren gesteggeld, te beginnen met de overschotten in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Vele eurocommissarissen hebben er hun tanden op gebroken of zich er niet echt aan willen wagen. Er zijn grote belangen mee gemoeid en het dossier is uitermate technisch. Ook in de hoofdsteden overziet slechts een handjevol mensen het geheel. En zoals altijd in een bureaucratie: het is makkelijker om nieuwe regels op oude te stapelen, dan het hele bouwwerk opnieuw op te zetten.

Toch is hervorming van het EU-landbouwbeleid dringend en essentieel. Het huidige beleid leidt niet tot een gezonde landbouwsector, omdat de steun niet wordt gegeven aan producten die het meest competitief zijn. De meest succesvolle sector, de glastuinbouw, krijgt geen steun uit het GLB (wel, in sommige gevallen, indirect uit energiesubsidies). Het GLB trekt de landbouw voor en leidt dus indirect tot een lastenverzwaring voor de andere sectoren, zoals de dienstensector.

Het GLB is onrechtvaardig, omdat 80 procent van de inkomenssteun naar 20 procent van de boeren gaat. Verhalen over grote landeigenaren, vaak lokale politici, die als absentee landlordsgeweldige bedragen opstrijken, blijken helaas vaak op waarheid gebaseerd. Het is ook onrechtvaardig omdat de rijkste landen het meeste krijgen. Ruim 47 miljard gaat bijvoorbeeld in een of andere vorm als steun naar Franse boeren. De grote verliezers van deze begroting zijn nieuw toegetreden landen die hadden gehoopt op meer geld voor hun noodlijdende economie, waarvan landbouw een belangrijk onderdeel vormt. Voor sommige landen was het landbouwbeleid zelfs een zwaarwegende reden om het lidmaatschap aan te vragen.

De subsidies maken de EU ongeloofwaardig in internationale onderhandelingen, omdat ze in tegenspraak zijn met het vrije handelsbeleid dat de EU belijdt, en waarvan iedere Europese burger profiteert. Alleen al de toenemende spanningen met derde landen (opkomende economieën als China en Brazilië, maar ook landbouwexporteurs als Canada en Australië) is een reden om het beleid snel en drastisch te herzien.

Het GLB bevordert op geen enkele manier de duurzame productie van voedsel. Er is geen sprake van ‘vervuiler betaalt’, het stelt de inkomenssteun niet eens afhankelijk van de milieu-uitstoot van het boerenbedrijf, natuurbescherming door boeren is inefficiënt en ineffectief, en het GLB subsidieert milieu-onvriendelijke maatregelen zoals het draineren van land of het kappen van oude olijvengaarden. Dat laatste bevordert niet alleen de erosie, maar leidt ook nogal eens tot de absurditeit dat nieuwe aanplant van hetzelfde gewas ook weer gesubsidieerd wordt. Onder het GLB wordt nauwelijks geld toegewezen aan innovatie en onderzoek naar duurzame bedrijfsvoering.

Het Europese landbouwbeleid is ondoorzichtig, verspillend en bureaucratisch. Anekdotes over ministers van landbouw van hier niet met name te noemen landen die niet op de hoogte zijn van het bestaan van een melkquotum, blijven rondzingen. Natuurlijk is dit al eerder geconstateerd, en zijn er talloze ambtenaren in Brussel en in de hoofdsteden bezig met de hervorming van het GLB. Maar dit onttrekt zich grotendeels aan de waarneming van de Europese bevolking.

Die onzichtbaarheid van de hervorming van het GLB is des te opvallender omdat voedsel de Europese burger steeds meer ter harte gaat. Geen onderwerp dat de gemoederen de laatste tijd zo zeer beroerd heeft als hoe ons voedsel geproduceerd wordt. Het wordt tijd dat de dilemma’s waar Brussel en de lidstaten voor staan eens helder besproken worden: het evenwicht tussen mondiale competitiviteit en lokale steun, tussen productie, plattelandsontwikkeling, armoedebestrijding en milieu. Het is dat de meeste burgers niet op de hoogte zijn van waar 40 procent van ‘hun’ geld heen gaat, anders zouden ze weleens in een vlaag van Europese Lente de straat opgaan om een vernieuwing van de landbouw en het platteland te eisen.

Louise O. Fresco
NRC handelsblad 13 februari 2013