MENU CLOSE

De Idealisten

De idealisten vertelt het verhaal van dokter Benjamin Marcus en zijn jonge, gehandicapte patiënt Ndidi op een afgelegen missiepost, tegen de achtergrond van een overweldigende natuur, een mythische rivier en dreigende droogte.
Dr. Marcus, zelf kind van joodse vluchtelingen, ooit uit idealisme naar Afrika vertrokken, is in de loop der jaren steeds meer gaan twijfelen over het nut van zijn wetenschappelijke aanpak. Ndidi, gevangen tussen bijgeloof en nieuwsgierigheid, zint op een manier om te ontsnappen aan zijn lot.
In het tijdbestek van slechts een dag en een nacht worden hun levens, en die van de andere dorpelingen, echter volkomen overhoopgegooid. Wordt het wankele menselijke evenwicht in één klap weggevaagd?

Louise O. Fresco bewees met De kosmopolieten en De utopisten al dat zij als geen ander in ons taalgebied in staat is de menselijke behoefte aan engagement en verantwoordelijkheid literair te verwoorden. Ook in De idealisten staan menselijke idealen en de daarmee gepaard gaande verwarring centraal.
De idealisten is een onvergetelijk verhaal over geloof en ratio, bijgeloof en wetenschap, maar bovenal over de kracht van menselijke idealen en de betekenis van hoop.

 ‘De idealisten is meer van het kaliber verplichte kost. Fresco toont in deze ideeënroman op doorwrochte en uiterst serieuze wijze aan dat ‘goed doen’ zo makkelijk nog niet is. Voor idealisme moet je wat over hebben.’

Bo van Houwelingen, Volkskrant

De Volkskrant plaatste 10 februari 2018 een uitgebreide recensie van het nieuwste boek van Louise O. Fresco, De idealisten. De ideeënroman die zich in Afrika afspeelt ontving prachtige quotes van recensent Bo van Houwelingen. Het boek vertelt het verhaal van dokter Benjamin Marcus en zijn gehandicapte patiënt Ndidi. Afwegingen wat betreft de moraliteit van de missie van Marcus en ontwikkelingshulp komen in dit verhaal aan het licht. De idealisten is een verhaal over religie en wetenschap, geloof en rede, maar vooral over de kracht van menselijke idealen.

Volgens Van Houwelingen belicht Fresco aan de hand van haar hoofdpersonen Marcus en Nbibi de houdbaarheid van idealistische toewijding. Hierbij stelt Fresco de volgende vragen: ‘Is het genezen van mensen niet enkel symptoombestrijding als de oorzaak van de ziekte – armoede en honger – niet wordt opgelost? Is het wel kies om liefdadigheid te verbinden met commercie? Is het realistisch te denken dat je je eigen lot in handen hebt als je gelooft in de almacht van een god?’

Van Houwelingen schrijft: ‘De idealisten is meer van het kaliber verplichte kost. Fresco toont in deze ideeënroman op doorwrochte en uiterst serieuze wijze aan dat ‘goed doen’ zo makkelijk nog niet is. Voor idealisme moet je wat over hebben.’

zie Volkskrant: Louise Fresco levert doorwrochte ideeënroman als afsluiting van trilogie over engagement

‘Wie zo kan schrijven heeft mij te pakken.’

Christiaan Weijts, De Groene Amsterdammer

Eerder ontving De idealisten al veel lof in Trouw, waarin het een boek ‘vol wijsheid en behartenswaardige gedachten’ wordt genoemd.

Daarnaast schreef recensent Christiaan Weijts voor De Groene Amsterdammer dat zijn initiële verwachting van het boek volledig omver werd geworpen. Daarbij prees hij Fresco’s unieke schrijfstijl: ‘Wie zo kan schrijven heeft mij te pakken.’

Ook de opbouw van spanning is bewonderenswaardig volgens Nederlands Dagblad: ‘Fresco creëert al aan het begin een grote spanningsboog die ze gedurende de hele roman in stand weet te houden.’

Zowel NRC Handelsblad en Max Nieuwsweekend voerden een uitgebreid interview met de auteur naar aanleiding van haar nieuwe boek.

Leesfragment

Wat was dit voor dag? Ndidi spitste zijn oren om de allereerste geluiden van de ochtendvogels op te vangen. Het nog aarzelende gepiep klonk als een kind dat voor het eerst zijn stem uitprobeerde. Een andere vogel viel in. Toen, vanaf de overkant van het pad, verborgen in het diepste gebladerte, bereikten hem twee kreten tegelijk, scherp tegen elkaar in. Wat waren dit voor vogels? Ze klonken als zwaluwen, maar schriller. Verderop boven de dunne strook bos langs de rivier hoorde hij er nog meer. Hij kende de namen van heel wat soorten, al wist hij niet hoe ze eruitzagen. Voor Ndidi waren de vogels zijn klok, zijn kompas, zijn gids, zijn waarzeggers. Vogels vertelden hem wat er was gebeurd en wat er zou gebeuren. Hij herkende ze aan hun roep, in ieder jaargetijde, jaar na jaar, maand na maand: de op de wind glijdende trekvogels die op een ochtend ineens neerstreken, in een dichte kwetterende massa op de velden. Daarna, zodra de regens begonnen, kwamen er weer andere vogels, die in tweetallen langs de paden naar wormen pikten. Haarscherp onderscheidde hij de roep van de nerveuze honingzuigers, de wevervogels, de wouwen, de zandhoenders en al die andere onbekende soorten, met ieder hun eigen strofes. En de duiven, altijd die veelheid aan duiven, om en op het erf gorgelend en koerend.

Heel soms, op rustige dagen, klom hij naar boven met hulp van zijn neefje Nyensa (die hij Pete moest noemen omdat hij naar Amerika wilde, en daar heetten ze allemaal Pete). Daar, op de rotsachtige richel boven het dorp, waar het plateau begon, zaten ze stil om te luisteren naar de oorgieren en de witruggieren, die als een windvlaag vlak boven hun hoofd ruisten voor zij zich over de rand van de vallei lieten glijden, op weg naar een karkas. Zeldzaam waren de andere grote roofvogels, de raven, de buizerds en de donkere haviken: als zij hun razendsnelle vluchten uitvoerden – sjoeshhhh sjoeshhh – zweeg de natuur.
Aan de verscheidenheid van vogels las hij de gunsten van het seizoen af. Dit jaar waren de kauwen in minder grote aantallen uit het noorden gekomen, en ze waren veel te laat. Vorig jaar daarentegen waren ze al vroeg vertrokken, misschien gebeurde dat dit jaar ook. De regens waren nu bijna voorbij, al waren de afgelopen dagen nog wat druppels gevallen, net genoeg om het stof op de paden te bevochtigen. Korter en korter werden de seizoenen deze jaren. Zo onvoorspelbaar was de regen geweest dat niemand er zeker van was wanneer er geplant kon worden. Iedere dag waren de vrouwen naar hun velden gegaan, en dan voelden ze de korrelige zanderige grond met hun droge, ruwe handen en schudden hun hoofd. Sommigen probeerden het toch, om na een paar weken te zien hoe geen enkel zaadje opkwam en de stekken verdroogden.
Uit het noorden zou de harmattan aanwakkeren tot hun mond en hun longen gevuld leken met zand. De wind blies de zandkorrels tot in de kookpotten, zodat ze knarsend hun avondpap moesten eten. Binnenkort zou de oogst worden binnengehaald, als de planten met hun taaiste, diepst vertakte wortels het allerlaatste vocht uit de bodem hadden geperst. Dit was de zwaarste maand, als de voorraadhutten leegstonden en het land nog niets nieuws had opgebracht. Wee degene die de verleiding niet weerstond om onrijp graan te eten. Nooit zou zijn land of dat van zijn kinderen nog iets opbrengen. Kolieken zouden zijn darmen samentrekken tot hij kreunend naar de rivier kroop om te sterven. Al knaagde de honger in alle magen, de straf van de voorvaderen was nooit mild.
De akkers, in vroegere jaren zo vochtig en mals, waren veranderd in een harde korst die in de loop van het droge seizoen zou barsten in een grillig patroon van scheuren, waarvan sommige breder waren dan zijn pols en dieper dan zijn arm. Nadat het vee alles had afgegraasd, bleven alleen de verbleekte korte stoppels over, totdat het zand uit het noorden ze bedekte. Als dan niets meer als voer kon dienen en de dieren begonnen aan het stro van de daken van de hutten, dwongen de herders het vee met stokslagen en hoge kreten – eeeh, eeeh – om aan de lange trek te beginnen naar de vloedvlaktes. Ieder jaar klaagden ze dat de graslanden daar minder hoog en dichtbegroeid waren dan in hun jeugd. Andere stammen uit het zuiden trokken naar dezelfde gronden. Hier en daar waren al schermutselingen ontstaan, twee mannen van een clan uit een naburig dorp waren gearresteerd voor het neersteken van een oude herder. De vloedvlakte zelf werd elk jaar kleiner, de overstromingen van de rivier reikten minder ver naar het westen en het oosten.
De zomers waren heter en duurden langer. Het stof van de savanne omfloerste de zon en drong telkens meer naar het zuiden waar de velden van Ndidi’s dorp lagen. Hij had de vele lege aren van de gierst en de sorghum op de akkers gevoeld en het losse zand dat oprukte onder zijn voeten. De vliesjes van de magere aren sprongen tussen zijn vingers kapot als hij ze aanraakte. Ook dit jaar zou hun land bijna niets opbrengen. Droogte en vogels en dieven waren de dorpelingen al lang voor geweest. Te vroeg waren de regens begonnen, te vroeg waren ze weer opgehouden. De kwetsbare ranken van de pas geplante bonen verdorden, de peulen waren bedekt met kleverige mijten. De cassave overleefde, maar de wortels waren mager en gerimpeld als de ledematen van oude vrouwen, de bladeren gekruld als geblakerd papier. Wie geluk had kon nog extra cassave planten op de vochtige plekken achter de afvalhopen bij de rivier. Daar waar de mannen hun yam verbouwden was het niet beter, de tere scheuten verbrandden onder de blikken van de zon. Ongeduldig wachtten de kinderen en vrouwen nu op de oogst. Dit was de maand die zo lang als een jaar leek te duren. De mannen morden over de karige maaltijden van hun vrouwen en zochten tevergeefs hun heil in de jacht. De droogte was de straf van de voorvaderen en trof allen, sommigen met weinig goed land. Er waren altijd mensen die nog meer straf dan anderen verdienden.

Van alle dagen, wat voor dag zou dit worden? Ndidi vroeg het zich opnieuw af. Het was niet een gewone dag van droogte en stof en honger, zoals alle andere. Er gistte iets in de lucht, alsof de goden koorts kregen. De vogels vlogen onrustig af en aan. Hoog boven zijn hoofd hoorde hij een vliegtuig, op weg naar het zuiden. In het dorp werden ze de glinsterende reigers genoemd, gemaakt door de blanken, die veel hoger vlogen dan vogels, opdat niemand kon zien waar ze hun prooi haalden. Hij dacht aan de Grote Stad, waar die zilveren vogels vandaan kwamen, waar mensen elke dag eten konden vinden, waar altijd een markt was, en auto’s rondjes reden met rijke mannen in strakke, gladde, gesteven broeken en tunieken. Naast hen zaten hun vrouwen met ingewikkelde gevlochten pruiken en bontgekleurde jurken en omslagdoeken. Hij wist hoe het was, hij had immers de verhalen gehoord van de zonen van het dorpshoofd en van zijn halfbroer Emeka.
Er was iets, dit was niet een dag als alle andere, hij hoorde het aan de geschrokken roep van de uil die niet zou moeten roepen op dit uur, en aan het gehuil van een baby ergens in het bos, die geen baby kon zijn maar een dier was, een hond of misschien een aap. Al die tekenen van onrust onderstreepten dat het droger en stoffiger was deze maanden dan iemand zich herinnerde.
Ndidi strekte zich uit. Het was eindelijk tijd om zijn bed te verlaten! De macht van de nacht was ten einde. De kreten van de dagvogels klonken nog voorzichtig, alsof ze hem wilden vertellen dat de dag zelf nog net niet was aangebroken en dat hij goed moest opletten. Hij had nu haast om op te staan. Hij hoorde een hoge fluitklank, drie keer achter elkaar, gevolgd door een pauze, dan weer, als een waarschuwing, een herhaling in een andere boom. Vervolgens dook het geluid van de vogels weg, alsof ze twijfelden, alsof ze net als het licht nog kiekeboe speelden aan de horizon. Een paar tellen later vielen de cicaden in. Dat stelde hem weer gerust. De vogels en de insecten riepen samen de zon. Zonder hen zou de dag niet aanbreken. Heel vroeger, had dokter Marcus hem een keer verteld, vreesden de eerste mensen elke avond dat de zon niet meer op zou komen, dat het voor eeuwig nacht zou blijven. Die mensen vereerden daarom de zon met offers en dansen. Zo stond Ndidi eindelijk op: de vogels floten en zongen hun lied voor hem, de insecten zoemden en tsjirpten en Ndidi neuriede mee.

Louise O.  Fresco te gast bij BNR Nieuwsradio

Louise O. Fresco was 16 januari te horen in het programma Hemmenop BNR Nieuwsradio.
De auteur en hoogleraar sprak in de uitzending over 2018 als het ‘jaar van Afrika’, en kaartte het grote drama aan dat de wereld staat te wachten als er niets verandert in het westerse beleid jegens het continent. De explosieve bevolkingsgroei en rappe verstedelijking zullen leiden tot hongersnood en massamigratie op ongekende schaal, iets wat Fresco beschouwt als het grootste probleem van dit moment.
Ze sprak echter ook over de enorme potentie van Afrika. In de uitzending pleitte ze voor een beleid van investering en kennisexport naar het continent en het bouwen op lokaal talent om van Afrika een welvarende, competitieve economie te maken. Ook voor Nederland liggen er volgens Fresco veel kansen in Afrika, vooral wat betreft het delen van kennis op het gebied van land- en waterbouw. Ze stelt dat grootschalige investeringen kunnen worden gekoppeld aan humanitaire belangen om Afrika voor een demografische ramp te behoeden, en tegelijkertijd een belangrijke nieuwe markt te creëren voor het Westen. Volgens haar is het hoog tijd om verantwoordelijkheid te nemen voor de situatie in Afrika.
Het nemen van verantwoordelijkheid en het geloven in een humanitair ideaal zijn belangrijke thema’s in haar nieuwste roman, De idealisten, die zich afspeelt op een missiepost in Afrika. In het boek komt ook de fascinatie met het continent terug, die Fresco al sinds haar tienerjaren koestert.

De idealisten ligt nu in de winkel, en vormt samen met Fresco’s eerdere romans De utopisten en De kosmopolieten losjes een drieluik.

Klik hier om de uitzending terug te luisteren
dinsdag 16 januari 2018 tussen 13:00 en 13:30  BNR Nieuwsradio.