MENU CLOSE

De duurzame erfenis van de jaren tachtig

In de schaduw van de door GroenLinks aangezwengelde discussie over de jaren tachtig speelt zich een andere strijd af die alles te maken heeft met dezelfde thema’s van goed en kwaad, van belangentegenstellingen en maatschappelijke verantwoordelijkheid. De spelers zijn vergelijkbaar: de overheid, de gevestigde belangengroepen en hun tegenpartijen. Ik doel op het conflict tussen de mosselvissers, het ministerie van LNV en de natuurorganisaties.

Simpel gesteld gaat het erom dat de Zeeuwse vissers mosselzaad uit de Waddenzee willen vissen, zoals zij al generaties hebben gedaan, terwijl de Vogelbescherming en de Waddenvereniging zich daartegen verzetten wegens de schade die aan de foerageergebieden ontstaat. Afgelopen februari heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak met als gevolg dat de visvergunning afgegeven door het ministerie van LNV is vernietigd. Dit heeft tot grote onrust geleid bij de vissers die zich in hun bestaan bedreigd zien. Daar komt nog bij dat Greenpeace onlangs stenen in een zeereservaat in de Duitse Bocht heeft gestort om het vissen te bemoeilijken (en volgens vissers daarmee ‘geweld’ pleegt).

In zijn scherpste vorm roept dit vragen op als: mag het bestaan van mensen en bedrijven ondermijnd worden ter wille van de bescherming van andere soorten of een hoger belang? Of moet de natuur wijken voor economisch gewin? En wie bepaalt dat? In de jaren tachtig zouden de vissersboten waarschijnlijk geënterd zijn door activisten, nu gaat de strijd vooral via juridische middelen. Steeds blijft de kwestie hoe in een democratie tegenstrijdige belangen moeten worden afgewogen. Dat ligt niet eenduidig, want vissers en vogels, dat is appels en peren.

De zaak is van meer dan lokaal of Nederlands belang. Hier gaat het in feite om de interpretatie van duurzaamheid, een onderwerp dat op de internationale diplomatieke agenda hoge ogen gooit. In het verlengde van de Europese  Habitatrichtlijn (die geen rekening houdt met ‘bestaand gebruik’) doet de Raad van State in feite een verregaande uitspraak over duurzaamheid door de bewijslast om te draaien.

Er wordt dus gevraagd om te bewijzen dat een handeling – het vissen van mosselzaad – niet schadelijk is voor er een vergunning afgegeven kan worden. Dit is per definitie onmogelijk, omdat iedere menselijke handeling die te maken heeft met het gebruiken van (biologisch) materiaal uit de natuur per definitie schade toebrengt. Ecosystemen zijn ook nooit stabiel, waardoor het ook erg moeilijk is om aan te tonen wie of wat de schade zou hebben veroorzaakt.

Zolang mensen hun voedsel en andere producten uit de natuur betrekken, bestaat duurzaamheid in absolute zin niet. Ons bestaan beschadigt delen van deze planeet, ook al zijn wij in geologisch en astronomisch perspectief slechts een krasje op het aardoppervlak. Langzamerhand leren wij om dat krasje zo beperkt mogelijk te houden. Duurzaamheid is dus een relatief begrip, dat betrekking heeft op de omvang van de schade die aan het menselijk handelen wordt toegeschreven. Overigens heeft bij mijn weten geen enkele studie tot nu toe de schade van het mosselvissen in de Waddenzee aangetoond.

Ondanks de onmogelijke bewijslast kan er wel degelijk een oplossing gevonden worden, en wel via het bekende Nederlandse poldermodel dat we maar al te graag exporteren naar de rest van de wereld. In dit soort complexe conflicten moeten de partijen, gestuurd door de zachte ferme hand van de overheid, in dialoog tot een wetenschappelijke en niet slechts moreel gefundeerde definitie van duurzaamheid komen. Dat is moeilijk en vooral – er is tijd voor nodig. Voor vissers om te innoveren, bijvoorbeeld door mosselteelt in vijvers. En voor langetermijnonderzoek naar wat een verantwoord niveau van schade is.

De vissers zullen moeten accepteren dat er niet overal gevist kan worden en dat het maatschappelijk draagvlak voor hun werk is verschoven, omdat andere belangen, zoals natuur, nu zwaarder wegen. De natuurorganisaties, die naar verluidt zelf enigszins geschrokken zijn van hun ‘succes’, moeten leren dat hun doelen niet de enige kunnen zijn, waaraan alle andere ondergeschikt zijn. En niet in de laatste plaats zal er een keurmerk moeten komen om de consument aan te zetten tot het betalen voor duurzaam geproduceerde mosselen.

Het ironische is dat de huidige belangentegenstelling mede het gevolg is van het succes van de milieubeweging uit de jaren zeventig en tachtig. Omdat het water van de Oosterschelde nu zo weinig nitraten en fosfaten bevat (lees: mede doordat de landbouw en industrie zoveel schoner zijn geworden) en dus minder voedselrijk is, neemt de mosselstand in Zeeland af (waardoor de vissers uitwijken naar de Wadden). Van dit alles profiteert de Japanse oester, die door de vissers als een plaag wordt beschouwd en door de natuurorganisaties als een natuurlijke ontwikkeling. Tegelijk, als reactie op het toegenomen milieubewustzijn, is de waardering voor de Zeeuwse mossel als oude traditie toegenomen; zo groeit de vraag naar mosselen en moeten er nog meer in de Waddenzee gevist worden.

Dit voortdurende zoeken naar evenwicht tussen milieubeweging, boeren, vissers en bedrijfsleven is een van de verworvenheden van de jaren tachtig. Het is zeer nauw verbonden met die andere erfenis uit die jaren, het begrip duurzaamheid, dat in 1986 door de commissie-Brundtland werd gelanceerd. Het nastreven van duurzaamheid houdt nooit op. Telkens ontstaan nieuwe situaties door wetenschappelijke, ecologische en economische ontwikkelingen en telkens weer moet de dialoog daarover aangegaan worden. Want duurzaamheid is mensenwerk.

Louise O. Fresco
NRC handelsblad 2 september 2008