NRC Handelsblad

Ver van ons bed

Column
Louise O. Fresco

In Zuid-Afrika, in de afgesloten villawijken van Johannesburg, Kaapstad en Durban staan bij de slagbomen op de toegangswegen private, soms bewapende bewakers en hangt letterlijk aan iedere lantaarnpaal een camera. De bewoners krijgen elke dag een verslag van verdachte ‘ incidenten’ – dat kan al een onbekende auto zijn. De werkelijkheid van de krottenwijken en de tribale gebieden is er ver weg. Je kunt er wonen, als rijke blanke of, zeldzamer, als rijke zwarte bewoner, zonder ooit anders met armoede of ongelijkheid geconfronteerd te worden dan via het nieuws.

Ik dacht aan die begrijpelijke maar zo kunstmatige veiligheid bij het lezen van Rob Wijnberg, Bas Heijne en anderen die zich de afgelopen week afvroegen of de confrontatie met leed, zoals in Kiev, Syrië of Noord-Korea, leidt tot betrokkenheid of juist niet. De teneur is dat echte betrokkenheid niet bestaat, hoogstens tijdelijk is. Hoe erg de beelden zijn, je hebt genoeg aan je eigen zorgen. Het alledaagse is ook een welkome afleiding tegenover de wreedheid van het nieuws. Een lekkende wasmachine is een huiselijk drama waarbij de dood van een onbekende demonstrant in het niet valt. Ons gebrek aan aandacht voor wat ver van ons bed ligt, moeten we van onszelf tolereren. Bas Heijne hoopt alleen dat als we het verhaal kennen, ons inzicht in de wereld groter wordt.

Het is waar, de betrokkenheid neemt al jaren af. Collectes bij natuurrampen, een goede maatstaf want het gaat om ‘onschuldig’ lijden, halen steeds minder op, behalve destijds bij de tsunami waar zoveel westerse vakantiegangers werden getroffen. Ik vrees dat duiding zoals Heijne het noemt, daar niets aan toe doet. Trouwens, hoeveel doen de media aan duiding? Wat ver van ons bed is, is dat niet alleen geografisch, maar ook omdat het zo anders en meestal gecompliceerd is. Wij hebben zelden referentiepunten om de gebeurtenissen in Syrië, Oost-Congo, voormalig Joegoslavië of Kiev te plaatsen. Geweld is altijd het kwaad, maar die open deur brengt ons weinig verder. En wie heeft er nog tijd om het echte verhaal tot zich door te laten dringen?

Ooit was Nederland het land van de solidariteit, van goedbedoelde, onuitstaanbare opgeheven vingertjes misschien. Een land dat vrijgevigheid en betrokkenheid uitstraalde, waar in iedereen een kleine Jan Pronk huisde. Wij, en de wereld, zijn zakelijker geworden. Ontwikkelingshulp is een instrument voor het verbeteren van handelsbetrekkingen geworden, net als cultuur – geen doel op zich. Het lijkt erop dat niet alleen de solidariteit voorgoed verdwenen is, maar dat we ons nu verschansen achter de onmogelijkheid ons betrokken te voelen.

Solidariteit, om het ouderwetse woord te gebruiken, is nooit vanzelf gekomen, ook niet in die bijna mythische jaren zeventig. Solidariteit buiten de eigen groep is altijd aangeleerd, geen instinct, geen intellectuele duiding maar emotie. Emotie gebaseerd op het besef dat wij toevallig geboren zijn en wonen in een land waar nauwelijks honger, geweld en corruptie heersen. Dat wij belasting betalen uit solidariteit met minder bedeelden, hier en elders. Natuurlijk, als je je alles zou aantrekken wat er op de wereld gebeurt, kun je niet leven. Maar wie zich niets aantrekt van de wereld, leeft ook niet.

Dat is de grondhouding van politieke verantwoordelijkheid: meer dan electoraal zo handige zorg voor het eigen erf. Helaas blinken de Europese verkiezingen uit door verongelijktheid en eigenbelang. Politici moeten zich te laten horen over de verhouding tussen het alledaagse en de betrokkenheid bij wat ver van ons bed ligt. Wat zijn de grenzen van onze solidariteit met bijvoorbeeld Roemenië? Waar is humanitaire interventie gepast? Anders komen ook wij terecht in een afgesloten villawijk, achter de slagboom van onze alledaagsheid.

Deze column is verschenen in NRC handelsblad op 26 februari 2014


Download pdf: Ver van ons bed