NRC Handelsblad

Les Parisiennes et les Hollandaises

Louise O. Fresco

Tot zo’n tien jaar geleden, schat ik, hulde de Nederlandse vrouw zich het liefste in wijdvallende kleding: lange rokken, breedgeschouderde jasjes, pyjama-achtige broeken en ruime t-shirts. Als in de tussentijd het niet zo’n beladen woord was geworden, zou ik hebben geschreven dat de Nederlandse vrouw zich graag in een boerka-achtige kledij wikkelde. Wijd was makkelijk, met als toppunt van comfort het elastische trainingspak (in zijn mannelijke variant ook wel de campingsmoking genoemd). Wijd was ook prettig want dan zag je al die minder aantrekkelijke onderdelen van het silhouet niet zo, en hoefde je niet voortdurend je buik in te houden. Die dracht paste jong en oud, zelfs studentes hadden hun variant met slobbertruien en -broeken.

Hoe anders was het in het zuidelijke buitenland, in Italië of Frankrijk! In die jaren waren Parijse vrouwen het tegendeel van de Nederlandse: strakke korte rokken, kleine jasjes met mooie kragen, hoge pumps (maar niet te hoog), de vleesgeworden elegantie waar iedere Nederlander, man of vrouw, met bewondering naar keek. Een natuurlijke elegantie ook, die weinig te maken had met economische klasse.

Tot mijn verbazing viel me, laatst in Parijs, ineens op dat die tegenstelling niet meer bestaat. Natuurlijk, de Française is nog even elegant als altijd, ook al heeft ze af en toe een spijkerbroek en een coltrui aan (sans doute een echo van de existentialistische kledij van de jaren zestig). Het is de Nederlandse vrouw die veranderd is: ze draagt korte rokken en strakke truitjes. De verhullende kleding is verbannen naar de zolder of alleen nog draagbaar voor zestig-plussers die er ook als zodanig uit willen zien. Maar daarmee bedoel ik niet dat de Parijse stijl hier plotseling tot bloei is gekomen.

Nee, er is iets heel anders gebeurd. De Nederlandse vrouw lijkt bezig aan een regressienaar een kleine-meisjes-mode. Hyperkorte plooirokjes, schattige jurkjes, strakke piepkleine vestjes, platte laarzen, t-shirts met glittertjes, tot en met de haarklemmetjes. Allemaal van een model dat hun dochters of kleine zusjes niet zou misstaan. Het verschil tussen kinder- en vrouwenkleding is in een keer weggevallen. Goed, op de catwalks hebben we ook de kleine jurkjes gezien, maar er zijn toch weinig Franse vrouwen die zich vrijwillig in een babydol zullen steken.

Ik besef dat er vele theorieën bestaan over wat mode over een tijdsgewricht zegt en dat die al gauw psychologie van de koude grond worden. Maar onwillekeurig lijkt de boodschap toch dat Nederlandse vrouwen liever niet echt volwassen willen worden, of in ieder geval zo jong mogelijk willen blijven. Want dat is makkelijker dan volwassen worden. Voor wie jong is, ligt de wereld nog open, wie ouder wordt, weet dat er onherroepelijke keuzes gemaakt moeten worden en dat je daar zelf voor verantwoordelijk bent. In Nederland houden vrouwen graag alle opties open. Of misschien zegt deze mode iets over de ambivalentie waarmee Nederlandse vrouwen sinds kort een carrière nastreven: zelfverzekerd zijn, maar eigenlijk in je hart een meisje willen blijven. Niet voor niets verscheen er een paar jaar geleden nog een fotoboek van Bob Bronshoff en Marja Pruis met de fraaie titel Meisjes van Veertig (over vrouwen van tussen de veertig en vijftig!). Zoals een Franse vriendin zei: ‘Les Parisiennes hebben het zwaar, maar Les Hollandaises nog meer, want die hebben een keuze.”

Dit blog is verschenen in NRC.nl op 22 februari 2011


Download pdf: Les Parisiennes et les Hollandaises (blog)