NRC Handelsblad

Verbeelding helpt het ondenkbare dromen

Column
Louise O. Fresco

Voor sommige mensen voelt de huidige pandemie alsof ze in een science-fiction film zijn beland. Meer dan eens is al gewezen op The Eyes of Darkness van Dean Koontz uit 1981 dat verbazende overeenkomsten vertoont met onze huidige situatie (zijn virus heette zelfs Wuhan-400) of The Andromeda Strain van Michael Crighton met dodelijke micro-organismen van buiten ons zonnestelsel. Het is een aardige hypothese dat er een positieve correlatie bestaat tussen een pandemie of andere acute ramp en het lezen van science-fiction.

Nogal wat science-fiction is dystopisch: een failliete aarde met nare monsters, op hol geslagen computers, gelijktijdige natuurrampen dankzij nietsontziende slechteriken, liefst met kernwapens. Gelukkig is er nog ergens een eenzame held(in) die een restje mensheid kan redden door een selectie van gelukkigen over te brengen naar een andere planeet of een paradijselijk, zij het primitief eiland dat door toeval gespaard is. De karakters zijn vaak van bordkarton, en de technologie erachter is meestal onwaarschijnlijk. Het doel is niet geloofwaardigheid maar de bezwering van diepe angsten, net zoals in sprookjes.

Zelf heb ik de afgelopen maanden de trilogie van de Chinese auteur Cixin Liu gelezen waarvan het eerste deel nu vertaald is als Het drielichamenprobleem . Met ingenieuze, op quantum-technologie gebaseerde oplossingen leggen zijn hoofdpersonen interstellaire afstanden af. Daarmee dwingt Cixin Liu ons om na te denken wat er verder is voorbij die kleine blauwe planeet. Hij schetst alternatieve levensvormen in meer of juist minder dan de door ons ervaren vier dimensies van ruimte en tijd. Het bijzondere aan deze trilogie is dat je je volkomen natuurlijk verplaatst in de gedachte dat wij slechts een marginale plek in het universum bezetten en onze evolutie niet de enige is.

De werkelijkheid biedt hiervoor ook aanknopingspunten. In 1977 werden ze voor het eerst ontdekt rondom vulkanische spleten, kilometers diep onder de Stille Oceaan: de zogenaamde extremofiele Archaea. Deze micro-organismen zijn aangepast aan extreme omstandigheden als volledige duisternis, hoge temperaturen, zeer hoge of lage zuurgraad, nauwelijks of geen zuurstof en een overvloed aan H 2 S (waterstofsulfide). De betekenis van deze ontdekking kan niet worden onderschat. Er bleek dus een veelvormig leven te bestaan onder condities die in niets leken op wat we tot dan toe op aarde kenden. Hier leefden onbekende organismen in de barre onherbergzaamheid van het heelal.

Even fascinerend is de these van de schrijver en paleontoloog Stephen Jay Gould in Wonderful Life : als je de tijd kon terugdraaien, zou de evolutie zich heel anders hebben afgespeeld. Door alle toevalligheden moet de kans dat de menselijke soort weer zou zijn ontstaan ongeveer nihil worden geacht. Belangrijk bewijsstuk zijn de fossielen van de Burgess Shale, een schatkamer van enorme variatie van volledig uitgestorven organismen van meer dan een half miljard jaar oud. Het bijzondere is dat hun afstamming doodliep – was dat niet gebeurd, dan had de wereld er totaal anders uitgezien. Net als alle leven op aarde blijft Homo sapiens evolueren. Die toekomstige evolutie zal een geassisteerde evolutie zijn waarin wij actief zullen ingrijpen, net als wij trouwens met vele soorten zoals tarwe, koeien en katten hebben gedaan.

Verbeelding helpt de mens te dromen van het ondenkbare. Dit is waar wetenschap en science-fiction elkaar raken. Niet in het post-apocalyptische doemdenken maar in het opzoeken van de grenzen van wetenschappelijke inzichten. Als enige soort scheppen wij in gedachten nieuwe werelden en parallelle vormen van het heelal. De vraag is: kunnen wij onze soort voorstellen als datgene dat wij zelf nog niet zijn?

Deze column verscheen op 16 november 2020 in NRC Handelsblad