NRC Handelsblad

De canon: zo ziet Nederland zichzelf dus

Column
Louise O. Fresco

Bij het verschijnen van de eerste historische canon in 2006 schreven Robbert Dijkgraaf en ik een opiniestuk in deze krant over het gebrek aan natuurwetenschappelijk perspectief. Waar waren de grote bloeiperiodes van de Nederlandse wetenschap? Onze zorg betrof tevens de manier waarop de natuurwetenschappen onzichtbaar bleven. Het Nederland dat de canon opriep was, zo zeiden wij streng, het zelfportret van een anti-technologisch Nederland. Dat was de commissie van Frits van Oostrom maar zeer ten dele aan te rekenen. De canon diende om richting te geven aan de vakken geschiedenis, aardrijkskunde en Nederlands in het basis- en voortgezet onderwijs. Maar toch.

Ook de huidige commissie onder leiding van James Kennedy is zorgvuldig te werk gegaan en heeft talloze meningen opgehaald. En opnieuw is dit blijkbaar hoe Nederland zichzelf ziet. Een land van bestuurders, met een koloniaal en oorlogsverleden en kunstzinnige bloeiperiodes. Terecht is een grote plek ingeruimd voor meer diversiteit en voor kritiek op wat blijkbaar gezien zou kunnen worden als een te rooskleurig beeld van de geschiedenis. Zo lees je bij de hoofdlijn ‘Wat weten wij?’: „Verbazingwekkende voorbeelden van menselijk vernuft in de Nederlandse geschiedenis gaan ver terug: hoe kregen de hunebedbouwers die zware stenen van de grond? Elk tijdperk sindsdien is rijk aan intellectuele, technologische en culturele ontwikkelingen”. Hoera, zou je denken, hoewel die hunebedden een wat magere vorm van vernuft zijn. Maar de volgende zin drukt ieder enthousiasme de kop in: „Diezelfde denkkracht blijkt evenzeer ingezet te kunnen worden voor machtsmisbruik en vernietiging”.

Bij de hoofdlijn ‘Knooppunt van verbindingen’ over de innovatieve economie en handel wordt ogenblikkelijk gewaarschuwd: „Geweld en uitbuiting worden daarbij niet geschuwd.” Die laatste hoofdlijn begint met een andere verbazende uitspraak: „Omdat de mogelijkheden voor landbouw in het drassige rivierenland beperkt zijn, komen handel en steden al vroeg tot bloei”. Dit biedt geen enkele verklaring voor de in de hele wereld geroemde Nederlandse landbouw- en voedselsector, die immers op een combinatie van wetenschappelijke innovatie en handel is gebaseerd. Ook geen van de vijftig vensters geeft een ingang om ons huidige voedselpatroon te begrijpen na eeuwen van de hongersnoden, precaire productie en armoede. Juist voedsel is een mooie kapstok om historische belangstelling te wekken. En waar, geachte commissie, is in al die lijnen en vensters de eveneens geroemde natuurbescherming die, naast de landbouw, ons landschap mede bepaalt?

Dat de canon niet alleen een loflied op Nederlands vernuft moet zijn, is evident, net als dat niet alles opgenomen kan worden. Echter, deze omissies en zware waarschuwingen zijn symptomatisch voor de spagaat waarin we ons bevinden. Nederland presenteert zich graag als vooruitstrevende kenniseconomie. Maar de realiteit is dat we tienduizenden kenniswerkers uit het buitenland moeten halen omdat te weinig jongeren hier exacte vakken kiezen. We zouden er goed aan doen de belangstelling voor bèta-techniek bij scholieren aan te wakkeren, te beginnen met een canon die toont dat de enorme vooruitgang in welvaart en welzijn mede te danken is aan wetenschap en techniek. Een canon vormt niet alleen de weerslag van hoe wij het verleden zien. Het is ook een projectie naar de eeuw die voor ons ligt. Dan blijkt dit een land waarin de technologische innovaties onzichtbaar zijn. Toch zou iedere leerling moeten leren dat een ecologisch verantwoorde toekomst mede door ingenieurs, fundamentele en toegepaste natuur- en levenswetenschappers was en wordt vormgegeven.

Deze column verscheen op 29 juni 2020 in NRC Handelsblad