NRC Handelsblad

Kunst doet nooit wat de samenleving eist

Column
Louise O. Fresco

Hoe zal deze pandemie zijn weerslag vinden in de kunst? Je kunt je van alles voorstellen: een eenzaam Wachten op Godot in het verzorgingstehuis, een hartverscheurende pas de deux op anderhalve meter afstand, een Sacre du Printemps met een tachtigjarige, een Herinnering uit het Ondergrondse, een spiegelende holle aarde à la Anish Kapoor, escapisme in de vorm van idyllisch borduurwerk of een stratosferische mensloze samenleving.

Maar dit is grotendeels onzin. Kunst laat zich niet sturen en bestaat niet uit gelegenheidswerkjes of na-apen van het verleden. Waarschijnlijk laat deze pandemie zijn sporen pas in de loop van decennia achter en in vormen die niet zonder meer traceerbaar zijn. De kern van kunst is zelden letterlijk en bijna altijd meerlagig en ambigu.

Wie oproept tot meer steun voor de kunsten, moet zich dit realiseren. Kunstenaars doen niet wat de samenleving hoopt of eist. Ook niet in tijden van crisis. Het is eerder omgekeerd. Ook de kunsten zijn nu in nood. De terechte zorg over de huidige recessie in de cultuursector verleidt tot economische argumenten om kunst te financieren. Kunst zou toeristen opleveren en goed zijn voor het vestigingsklimaat en wie weet confronterende scenario’s voor de toekomst bieden. Dit soort utilitaristisch redeneren is riskant en miskent het ware karakter van kunst.

Dat wil niet zeggen dat kunst pas kunst is als er geen sprake is van direct nut. De geschiedenis van de kunsten laat zien dat het grootste deel van de menselijke geschiedenis kunst juist functioneel was. Ter ere van goden en koningen of ter bevestiging van de status van de adel en later de gegoede burgerij, als vermaak of juist als verzet – er is bijna altijd wel een andere dimensie dan alleen l’art pour l’art. Dat we na zo veel eeuwen niet meer zien wat de rol van de opdrachtgever was, doet daar niets aan af.

In deze tijd is het economische argument als basis van financiering van de culturele sector kortzichtig. Het is valide om na te denken hoe je de toewijzing van publieke fondsen tussen ongelijksoortige sectoren kunt vergelijken. Waarom meer naar kinderdagverblijven en minder naar musea, ja, dat vraagt om uitleg.

Maar de echte discussie moet zich richten op waarom kunst voor de lange termijn, ja voor altijd financiering verdient. En dat is omdat maatschappelijke welvaart uiteindelijk altijd voortkomt uit radicaal nieuwe ideeën, van hygiëne of de AOW tot quantumcomputers. Die ideeën komen via een zichzelf versterkend maar onstuurbaar en ongrijpbaar proces uit kunst, design en wetenschap.

Daarbij is de blootstelling aan kunst essentieel voor individuele creativiteit. Kunst biedt afleiding in de diepste betekenis van het woord: als iets wat de geest afleidt om lateraal, dus anders, te denken, om uit je ooghoeken te kijken. Je in slow motion laten afleiden, nieuwe paden bewandelen, het leidt tot kruisbestuiving.

Iedereen die wel eens intensief creatief is, herkent het gevoel dat alles wat je leest, ziet, hoort en ervaart relevant is voor waarmee je bezig bent. Kunst is een integraal deel van onze individuele en maatschappelijke verbeeldingskracht.

Als de overheid stuurt op nut levert dat zelden doorbraken op. Wel toepassingen en die onderschat ik niet. Maar een weerbare samenleving die bestand is tegen grote schokken kan niet zonder vrij denken, vrije kunst en ongebonden wetenschap. Net zoals wij ons land vanzelfsprekend beschermen met dijken en waterwerken, moeten wij onze collectieve creativiteit beschermen met een Deltaplan.

Kunst, moet je constateren, houdt een samenleving levend.

Deze column verscheen op 15 juni 2020 in NRC Handelsblad