NRC Handelsblad

GroenLinks heeft VVD en bedrijfsleven nodig

Column
Louise O. Fresco

De boeiendste constatering van 2016 kwam van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Slechts 2 procent van de bevolking noemt spontaan woorden als ‘klimaat’, ‘(groene) energie’ of ‘duurzaam’ als gevraagd wordt naar de grootste maatschappelijke problemen. De overstap van fossiele brandstoffen naar duurzame energie, zegt het SCP, is geen urgent vraagstuk in de publieke opinie. Dat wil niet zeggen dat het onderwerp niet ergens leeft, maar tijdens de verkiezingen speelde het aantoonbaar geen rol.

De winst van GroenLinks heeft dan ook niet zozeer te maken met een concrete behoefte aan maatregelen voor duurzaamheid, als wel met het verlangen naar bezielend leiderschap op alle fronten. Groen betekent tegenwoordig iets anders: verandering. Het moet anders, en beter, op een manier waar we ons goed bij voelen. Dat de transitie naar een duurzame economie wel eens echt pijn zou kunnen doen, blijft onbesproken.

Klimaat en dergelijke zou je het assortiment van Marqt kunnen noemen in het scala van supermarktproducten waaruit de formateur straks kan putten. Hip en alternatief maar niet te. Groen is charmant en vooral goed voor jezelf. Eigen gezondheid en imago eerst, dan de planeet want dat is toch een stuk abstracter. Eerder groene smoothies dan een extra trui aan en de thermostaat op achttien graden.

Toch zou duurzaamheid weleens een toetssteen kunnen worden voor het toekomstige beleid. Want het is evident dat er iets moet gebeuren, al is het maar omdat Nederland het klimaatakkoord van Parijs heeft ondertekend.

Duurzaamheid is een kosmopolitisch onderwerp omdat het gaat over verantwoordelijkheid jegens anderen, elders en straks. Die verantwoordelijkheid ligt bij alle betrokkenen. Hoe krijgt de regering niet alleen Henk en Ingrid, maar ook Mahmoud en Fatima zover dat ze extra belasting willen betalen voor de energietransitie? Dat kan alleen door te laten zien dat ‘groen’ werkelijk een groeimotor kan zijn, waardoor niet alleen onze economie en werkgelegenheid verbeteren, maar Nederland ook bijdraagt aan oplossingen elders. Dit heeft ook consequenties voor ontwikkelingssamenwerking waar slimme groene innovatie het hoofdthema moet worden. Niet simpel bomen planten maar slim gebruik van hout- en voedselafval in energiecentrales nadat eerst waardevolle stoffen zijn teruggewonnen.

De twee partijen die in een mogelijke formatie hier het meeste denkwerk moeten verrichten zijn VVD en GroenLinks. Zakelijke scepsis tegenover romantische idealisering van een nieuwe samenleving. GroenLinks heeft het bedrijfsleven nodig, want duurzame producten worden niet door de overheid gemaakt, noch door milieuorganisaties. Delen van het bedrijfsleven zijn al verder dan menigeen denkt. De overheid maakt wetten en schept voorwaarden voor economische vernieuwing door te investeren in innovatie. Door dat alles expliciet te maken kan de partij het imago van leuke groene dingen voor linkse mensen corrigeren. Voor de VVD is duurzaamheid een voorwaarde om de indruk te verzachten dat de partij er alleen is voor de rijken en de winst van bedrijven. Groen betekent hoe dan ook nadenken over het ingrijpend vergroenen van het belastingstelsel.

Er zitten rafels aan het groen: valkuilen, teleurstellingen en toekomstige verwijten. Het groen is er niet voor de elite maar voor de toekomst van iedereen en begint nu. Groen is dus geen vrijblijvend rentmeesterschap of eurofiel optimisme. Het komt niet vanzelf goed. Vergroenen is minstens zo ingewikkeld als de zorg of de ongelijkheid in de samenleving. Sterker: als we de houdbaarheid van de toekomstige economie niet vormgeven, is het gedaan met groei die al het andere mogelijk maakt. Zonder expliciete maatregelen voor duurzaamheid voorspel ik geen duurzaam kabinet.

Deze column is verschenen in NRC handelsblad op 22 maart 2017