NRC Handelsblad

De beste garantie tegen oorlog en armoe

Column
Louise O. Fresco

Anti-globalisme, of zijn positiever klinkende variant protectionisme, past zowel in de ideologie van zeer rechts als zeer links en wordt steeds populairder. In Europa en de VS, maar niet in Azië of Afrika, vermindert het aantal mensen dat tegen protectionisme pleit. Hoeveel makkelijker is het niet om publieke steun te krijgen voor de gedachte dat het hemd nader dan de rok is. Wie durft er nog te beweren dat de wereld een dorp is?

Tegenstanders bestrijden de America First-doctrine van Trump, en de nauwelijks mildere equivalenten elders, door te wijzen op de onhoudbaarheid ervan. Amerikaanse bedrijven besteden te veel werk uit dat Amerikaanse arbeiders niet kunnen overnemen, het zou allemaal te duur worden voor consumenten, Amerika kan nooit volledig zelfvoorzienend worden, enz. Maar economisch welles-nietes is niet de manier om een dergelijke ideologie te bestrijden.

Niet lang geleden, vanaf de val van de Berlijnse muur, werd mondialisering alom omarmd. De nederlaag van het sovjet-communisme leidde tot open markten, uitwisseling van mensen, kennis en goederen, versterkt door communicatietechnologie. Dat heeft in het Westen en in opkomende economieën tot ongekende welvaart geleid. Na 9/11 en nog meer na de bankencrisis van 2008 werd duidelijk dat mondiale verknooptheid risico’s meebracht. Ook al is die verknooptheid weer essentieel om dreigingen het hoofd te bieden (denk aan monetaire en fiscale samenwerking of criminaliteits- en terrorismebestrijding), sindsdien zien burgers mondialisering als een gevaar, niet als een oplossing.

De negatieve connotaties van mondialisering betreffen meer dan banenverlies of terrorisme. Er liggen twee sterke, onderling verbonden emoties aan ten grondslag. Om te beginnen de ervaring dat alles gelijkgeschakeld wordt en slechts een materiële cultuur de wereld zal overheersen. Overal dezelfde shopping centers, identieke kleding, auto’s en smartphones. Dat geeft een gevoel van verlies aan eigenheid en traditie. Dit wordt versterkt door de tweede emotie: de afhankelijkheid van grote bedrijven en anonieme marktkrachten die zich van grenzen en wetten niets aantrekken. Dat geeft een gevoel van hulpeloosheid, dat gekoppeld aan het identiteitsverlies het verzet tegen mondialisering zo onontkoombaar maakt. Economische rationaliteit is daarop dan ook niet het antwoord.

Wel moet iedereen beseffen dat de menselijke beschaving is ontstaan uit samenwerking, en niet uit egoïsme. Steeds complexere verbanden maken het mogelijk om afhankelijk te zijn van anderen, soms letterlijk aan de andere kant van de wereld, die ons graan verbouwen, onze auto’s in elkaar zetten, onze medicijnen fabriceren. Dat vertrouwen zou je de zwaartekracht van de mensheid kunnen noemen, de kracht die ons bindt en aantrekt. Al degenen die protectionisme als oplossing zien, denken ten onrechte in termen van winnaars en verliezers. Dat is een op de natuur gebaseerd wereldbeeld: de een zijn dood is de ander zijn brood. De geschiedenis bewijst het tegendeel: samenwerking betekent winst voor iedereen. Specialisatie zorgt dat onderdelen, of voedsel, daar worden geproduceerd waar het het meest logisch is vanwege klimaat, grondstoffen of expertise. De handel in deel- en eindproducten leidt voor iedereen tot betere resultaten.

Dat neemt niet weg dat er onevenwichtigheden kunnen ontstaan: banenverlies, milieuvervuiling, landschapsvernietiging. Er is echter geen reden om aan te nemen dat we deze fouten, net als in het verleden, niet kunnen corrigeren. De grootste uitdaging is nu om een vorm van mondialisering te ontwikkelen met ruimte voor lokale eigenheid en een menselijk gezicht. De ontwikkeling naar grotere verwevenheid zal doorgaan, met vallen en opstaan. Mondialisering en handel zijn de beste garantie tegen oorlog, honger en armoede. Daar kan geen hek of ideologische slogan, van links of rechts, tegen op.


Deze column is verschenen in NRC handelsblad op 25 januari 2017