NRC Handelsblad

Vrede op aarde – dankzij geweld?

Louise O. Fresco

Als het om geweld gaat, ben ik een watje, zoals dat tegenwoordig heet. Beschrijvingen van vroegere gruweldaden kan ik onmogelijk lezen. Ik kan zelfs niet tegen het gestileerde geweld in de meeste maffia- en sciencefictionfilms. Geen enkele oorlogsfilm is aan mij besteed, geen heroïsche versie van de Vietnamoorlog, laat staan iets over de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Foto’s van terroristische aanslagen in de krant bekijk ik vanuit mijn ooghoeken, zelfs als er na de daad niet meer dan onherkenbare vlekken op de grond overblijven.

Die zwakte deel ik met veel bevoorrechte mensen in rijke landen. Wij zijn niet bekend met geweld. Zelfs met het zogenaamde alledaagse geweld van relschoppers en roofovervallen komen de meeste burgers zelden in aanraking, of je moet net op het verkeerde strandfeest aanwezig zijn.

In de menselijke geschiedenis is de afwezigheid van dagelijks geweld en oorlog een zeer recente verworvenheid. Nog maar een paar eeuwen geleden waren publieke executies een bron van vermaak. Voor heel wat mensen op deze wereld, van Afghanistan tot Zimbabwe, van de krottenwijken van Mexico-Stad tot Mumbai, geldt nog steeds de wet van de sterkste. Staat, leger, rebellen, terroristen, religieuze leiders, mannelijke familieleden, inbrekers, bandieten, pooiers: van overal is geweld te verwachten, en het treft buitensporig vaak vrouwen en kinderen.

Ondanks dat is de trend in de wereld naar matigheid en controle, in ieder geval in de wijze waarop de overheid in westerse en zich ontwikkelende landen zich gedraagt. De manier bijvoorbeeld waarop in de vorige eeuw stakingen en demonstraties werden gebroken zou nu ondenkbaar zijn.

Geweld als collectieve, proportionele expressie van de democratische samenleving staat daarbij niet ter discussie – denk maar aan politie, gevangenissen en het leger. Het blijft altijd nodig agressie door delinquente individuen te bestrijden, met de dreiging van of de zo mild mogelijke toepassing van geweld. Dat lukt hier redelijk goed, en dus kunnen wij het ons veroorloven om geweld te vergeten (tenzij het ons persoonlijk treft), of het te romantiseren en abstraheren in films en videospelletjes. Overigens is de aantrekkingskracht van uiterst gewelddadige uitingen op het internet niet per se in tegenspraak met de ontwikkeling naar minder en onzichtbaarder geweld in de maatschappij – maar dat is een andere column.

Onze verschuivende houding tegenover geweld is relevant in het licht van een aanverwante kwestie: de toepassing van geweld door westerse bondgenoten in Afghanistan. De voortzetting van de Nederlandse inzet omwille van het hogere doel van vrede, terrorismebestrijding en wederopbouw staat nu ter discussie. Tegenstanders zeggen dat we al genoeg gedaan hebben, anderen moeten het overnemen, we moeten ‘onze jongens’ niet langer blootstellen aan ‘onaanvaardbare’ risico’s, het terrorisme van Bin Laden wordt hiermee de wereld niet uit geholpen, er zijn elders ergere problemen (Soedan, Congo), en het kost te veel geld. Daartegenover staan de vele redenen om in Uruzgan te blijven. Alleen dan tellen we internationaal mee, zo niet dan verliezen we onze reputatie, het succes van de Nederlandse methode van defensie, diplomatie en ontwikkeling moet bestendigd worden, en bovendien, militairen hebben oorlogen nodig om hun fysieke en psychische alertheid op peil te houden.

Gek genoeg hebben we het in de discussie over Uruzgan nooit over het gebruik van geweld als daad van de staat. Het gaat immers over een gerechtvaardigde oorlog, ondernomen in internationaal verband. Niettemin, wie even nadenkt, voelt wel dat hier iets wringt. De toepassing van geweld valt moeilijk te rijmen met onze huidige verworvenheden van respect en gelijkheid tegenover elkaar. Wie de ander met geweld tegemoet treedt, legt zijn wil op, intimideert en kleineert, of erger nog, is uit op kwellen en vernietigen. Geweld lokt geweld uit, het is een oude wet. In theorie zou altijd de dialoog te prefereren zijn boven het gebruik van geweld. ‘Met deze mensen valt niet te praten’ is immers de veelgehoorde frase die geweld rechtvaardigt door de tegenstander te dehumaniseren. Waar het woord verstek laat gaan, blijft slechts het geweld over. Geweld is het communicatiemiddel van de machtelozen, van terroristen, bendeleiders en onbeheerste huisvaders, niet dat van de staat.

Dat westerse legers met geweld proberen groter geweld te voorkomen, wordt beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Maar de twijfel blijft, al wordt er van pacifisten tegenwoordig niets meer vernomen. Leidt het gebruik van geweld niet onvermijdelijk tot ander geweld? Is een oorlog zonder wreedheden tegenover burgers en gevangenen denkbaar? Anders uitgedrukt: leidt het gebruik van geweld niet altijd tot het bezoedelen van onze eigen samenleving, tot vuile handen? Ons streven zou moeten zijn naar de toepassing van steeds minder geweld, en als het geen contradictio in terminis was, naar humaner geweld. In dat licht wordt nooit meer oorlog voeren een aantrekkelijk devies.

Maar dat is een te makkelijke conclusie voor een bevoorrecht land dat zijn eigen geschiedenis aan het vergeten is en zijn ogen sluit voor de realiteit van het lijden van burgers elders. Weggaan uit Afghanistan omdat we genoeg hebben van de risico’s en het geweld tegenover onze strijdkrachten is niet te rechtvaardigen tegenover de bevolking van Afghanistan die elke dag op weg naar school, markt of kliniek voor haar leven moet vrezen. Want uiteindelijk kunnen we niet ontkennen dat wij onze vrede en bijna geweldvrije levens danken aan die jonge geallieerde soldaten die destijds Nederland hebben bevrijd. In de besluitvorming over Uruzgan moeten we spreken over de gevolgen van het gebruik van geweld als instrument van de staat. Juist omdat wij burgers het liefst iedere gedachte aan geweld vermijden.

Deze column is verschenen in NRC handelsblad op 22 december 2009

Download pdf: Vrede op aarde – dankzij geweld?